5 factoren die de onderwijskwaliteit op jouw school sterk beïnvloeden
29 apr 2026

De onderwijskwaliteit in Nederland staat onder druk. Dat weet je. Dat weten je collega's. Dat weet de inspectie. Maar de vraag die zelden scherp beantwoord wordt: waar zit het precies?
Het antwoord is niet wat je misschien verwacht. Het gaat niet over budget. Niet over leerlingaantallen. Niet over de nieuwste lesmethode. Het gaat over vijf factoren die zich afspelen in je eigen team en die samen bepalen of jouw school vooruitkomt of vastloopt.
Op basis van wetenschappelijk onderzoek en gesprekken met meer dan 100 schoolleiders en HR-directeuren brachten we deze vijf factoren in kaart. Niet als academische exercitie, maar omdat we merkten dat directeuren ze herkennen zodra je ze benoemt. En herkennen is de eerste stap naar veranderen.
1. Werkdruk en taakbalans
Iedereen voelt dat de werkdruk hoog is. Maar het gesprek erover blijft vaag. "Het is druk" hoor je in elk teamoverleg. Maar waar zit die druk precies? En waarom lukt het niet om het te veranderen?
Het punt is niet dat leerkrachten te weinig doen. Het punt is dat de balans zoek is. Het Job Demands-Resources model van Bakker en Demerouti beschrijft dit helder: werkdruk wordt pas een probleem wanneer de taakeisen (wat er van je gevraagd wordt op werk) niet in balans zijn met de hulpbronnen die je in staat stellen om met die taakeisen om te gaan. Hulpbronnen zijn dingen als autonomie, waardering, ondersteuning van collega's, en het gevoel dat je werk ertoe doet.
In het onderwijs zien we dat die hulpbronnen al jaren afkalven. Meer administratie, minder tijd voor lesvoorbereiding. Grotere klassen, minder ondersteuning. De druk stijgt, de taakeisen nemen toe en de hulpbronnen om daarmee om te gaan nemen af. Praktijk en wetenschap laten zien: dat is de formule voor uitputting, uitval en personeel dat vertrekt.
Wat dit betekent voor jou als directeur: het gesprek over werkdruk moet specifieker worden dan "het is druk." Waar zit de druk? Is het de administratie, de lestijd, de combinatieklassen, de oudercontacten? En welke hulpbronnen ontbreken er? Pas als je dat weet, kun je gericht bijsturen.
2. Openheid en veiligheid in het team
Er wordt gepraat in het team. Maar niet altijd mét elkaar. Feedback geven voelt ongemakkelijk, dus het echte gesprek blijft uit. Frustraties worden niet gedeeld in de teamvergadering maar in de wandelgangen. Over elkaar, niet met elkaar.
Amy Edmondson introduceerde in 1999 het begrip psychologische veiligheid: het gedeelde geloof dat het veilig is om risico's te nemen in het team. Dat klinkt abstract, maar het is heel concreet. Durft een leerkracht in de teamvergadering te zeggen dat iets niet goed gaat? Durft iemand hulp te vragen zonder het gevoel te hebben dat collega's denken dat die het niet aankan?
In teams waar die veiligheid ontbreekt, ontstaat een patroon dat je als directeur herkent: er wordt geklaagd maar niet opgelost. Er ontstaan subgroepjes. Besluiten worden in de vergadering genomen maar in de gang ondergraven. En jij als directeur voelt dat er iets is, maar je kunt het niet grijpen.
Dit is een van de sterkste voorspellers van teamprestaties die er bestaan. Teams die open met elkaar praten, presteren beter, leren sneller, en vallen minder uit. Teams die dat niet doen, worden langzaam disfunctioneel, hoe goed de individuele leerkrachten ook zijn.
3. Eigenaarschap en initiatief
Je wilt vooruit met je school. Maar je merkt dat het team afwacht. Zonder jouw sturing gebeurt er weinig. En dat is vermoeiend.
De Self-Determination Theory van Deci en Ryan legt uit waarom. Mensen nemen eigenaarschap als aan drie voorwaarden is voldaan: ze ervaren autonomie (ze hebben keuzevrijheid), ze voelen zich competent (ze geloven dat ze het kunnen), en ze voelen verbondenheid (ze voelen zich onderdeel van iets groters dan hun eigen klas).
Als een van die drie ontbreekt, wachten mensen af. Niet uit onwil, maar omdat de omstandigheden hen passief maken. Een leerkracht die het gevoel heeft dat alle beslissingen toch van bovenaf komen, stopt met nadenken over verbeteringen. Iemand die twijfelt aan eigen kunnen, neemt geen initiatief. En als de teamcohesie ontbreekt, voelt niemand zich verantwoordelijk voor het geheel.
Als directeur is dit een van de meest frustrerende patronen. Je investeert in studiedagen, je vraagt om input, je geeft ruimte. Maar het initiatief blijft uit. De oorzaak ligt meestal niet in de motivatie van individuele leerkrachten, maar in de structuur en cultuur die eigenaarschap stimuleert of juist afremt.
4. Stabiliteit en continuïteit
Elke keer als een collega vertrekt, begint een deel van het team opnieuw. De cultuur, de afspraken, het vertrouwen. Je bouwt steeds weer van voren af aan.
Het lerarentekort maakt dit erger. Vervangers zijn schaars, de mensen die je vindt hebben tijd nodig om in te groeien, en ondertussen draait de rest van het team extra door. Dat verhoogt de werkdruk, wat weer leidt tot meer uitval. Het is een cirkel die zichzelf versterkt.
Onderzoek naar leerkrachten die de school verlaten laat zien dat instabiliteit in het team niet alleen de uitvoering raakt, maar ook de cultuur. Teams die constant wisselen, bouwen moeilijk gedeelde normen op. De "zo doen we het hier"-afspraken verdwijnen bij elk vertrek. En nieuwe collega's nemen hun eigen gewoontes mee, wat frictie kan opleveren met het bestaande team.
Als directeur kun je het lerarentekort niet oplossen. Maar je kunt wel investeren in wat ervoor zorgt dat je huidige team blijft: zicht op hoe het gaat, ruimte om problemen vroeg te bespreken, en het gevoel dat er naar ze geluisterd wordt. De scholen met het laagste verloop zijn niet per se de scholen met het beste salaris. Het zijn de scholen waar leerkrachten zich gezien en gehoord voelen.
5. Van signaal naar actie
Je merkt pas dat iemand vastloopt als het al geëscaleerd is. Niet omdat je niet oplet, maar omdat je geen structureel zicht hebt op hoe het écht gaat.
De meeste scholen draaien op gevoel en incidentele signalen. Een MTO eens per twee jaar geeft een momentopname, maar tegen de tijd dat de resultaten er zijn, is de situatie alweer veranderd. En dan? Dan ligt er een rapport met cijfers maar zonder handvatten.
Hier spelen twee psychologische principes die vaak over het hoofd worden gezien. Het eerste is de regel van wederkerigheid: als je mensen iets vraagt (hun mening, hun ervaringen), verwachten ze dat er iets mee gedaan wordt. Als dat niet gebeurt, vullen ze de volgende keer niet meer in. Dat is meetmoeheid. Het tweede is expectancy theory: mensen zijn gemotiveerd om input te geven als ze geloven dat die input ook daadwerkelijk tot verandering leidt. Zodra dat geloof wegvalt, stopt de medewerking.
De combinatie van deze twee principes verklaart waarom MTO's zo vaak teleurstellen. Ze vragen veel, leveren weinig op dat direct bruikbaar is, en de tijd tussen vraag en actie is te lang. Wat werkt is het omgekeerde: korte, frequente check-ins die direct gekoppeld zijn aan concrete opvolging. Geen grote metingen, maar kleine signalen. Doorlopend, niet jaarlijks.
Wat deze vijf factoren gemeen hebben
Ze zijn geen van alle nieuw. Elke directeur herkent er minstens twee. Maar wat opvalt is dat ze zelden in samenhang bekeken worden. Werkdruk wordt als apart probleem behandeld. Teamcultuur als apart thema. Eigenaarschap als iets dat "erbij hoort." En signalering als iets dat je doet via een MTO.
In werkelijkheid hangen ze samen. Hoge werkdruk ondermijnt de openheid in het team (want wie heeft er energie om een lastig gesprek te voeren als je al op je tandvlees loopt?). Gebrek aan openheid remt eigenaarschap (want waarom zou je initiatief nemen als je het gevoel hebt dat er toch niet geluisterd wordt?). Instabiliteit maakt alles erger (want elke wissel verstoort de balans). En zonder goede signalering zie je het pas als het al te laat is.
De scholen die hier grip op krijgen, pakken het niet factor voor factor aan. Ze creëren de omstandigheden waarin deze factoren zich vanzelf verbeteren: doorlopend zicht op wat er speelt, lage drempel om dingen bespreekbaar te maken, en kleine concrete acties die het team zelf kan oppakken.
Benieuwd hoe jouw school scoort?
We maakten een korte scan (2 minuten, 7 vragen) waarmee je direct ziet hoe jouw school het doet op deze vijf factoren. Je krijgt een schoolprofiel terug met een indicatie van waar je sterk staat en waar het begint te schuren.
Dr. Jesse Vullinghs is organisatieonderzoeker en mede-oprichter van Dimpr. Hij promoveerde aan de VU Amsterdam op de temporele dynamiek van leiderschap en welzijn.
Bronnen
Bakker, A. B., & Demerouti, E. (2007). The Job Demands-Resources model: State of the art. Journal of Managerial Psychology, 22(3), 309-328. https://doi.org/10.1108/02683940710733115
Demerouti, E., Bakker, A. B., Nachreiner, F., & Schaufeli, W. B. (2001). The Job Demands-Resources model of burnout. Journal of Applied Psychology, 86(3), 499-512. https://doi.org/10.1037/0021-9010.86.3.499
Edmondson, A. C. (1999). Psychological safety and learning behavior in work teams. Administrative Science Quarterly, 44(2), 350-383. https://doi.org/10.2307/2666999
Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2000). Self-determination theory and the facilitation of intrinsic motivation, social development, and well-being. American Psychologist, 55(1), 68-78. https://doi.org/10.1037/0003-066X.55.1.68
Deci, E. L., & Ryan, R. M. (2000). The "what" and "why" of goal pursuits: Human needs and the self-determination of behavior. Psychological Inquiry, 11(4), 227-268. https://doi.org/10.1207/S15327965PLI1104_01
Jesse
Co-founder
